(Schijn)Zelfstandigen in de dierenartsenpraktijk

De vraag waarom jonge dierenartsen in Vlaanderen nog steeds aangenomen worden onder het (schijn)zelfstandige statuut en weinig tot zeer weinig betaald worden, is erg relevant. Enkele jaren terug zou ik zonder veel twijfelen geantwoord hebben dat het beschamend (zelfs schandelijk) is dat jonge dierenartsen als schijnzelfstandige aan een karig loon en zonder veel bescherming worden aangenomen door oudere collega’s.

Ondertussen realiseer ik mij dat het antwoord op bovenstaande probleemstelling genuanceerder moet zijn en rekening moet houden met de complexe situatie, waarin ons beroep zich bevindt en waar het naartoe wil.

Laten we eerst en vooral niet vergeten dat wanneer schijnzelfstandigheid vastgesteld wordt, een zogenaamde herkwalificatie van de arbeidsrelatie tussen de opdrachtgever (die dan werkgever wordt) en de schijnzelfstandige (die werknemer wordt) altijd in het nadeel zal uitdraaien van de eerstgenoemde. Hij zal achterstallige sociale bijdragen en belastingen, boete en verwijlinteresten moeten betalen en kan eventueel strafrechtelijk vervolgd worden. (Jonge) dierenartsen als schijnzelfstandigen aannemen, houdt dus een risico in op een herkwalificatie van de arbeidsrelatie. Blijkbaar is dit risico beperkt en wel door de simpele vaststelling zo goed als geen enkele praktijkdierenarts in dienstverband voor een praktijk werkt. Misschien is dat wel verdedigbaar (zoals ik verder zal beargumenteren) gezien het belang van de onafhankelijkheid van de dierenarts.

Jonge collega’s (te) weinig betalen voor hun werk blijft uiteraard een groot probleem binnen het diergeneeskundige beroep. Het leidt tot frustratie en voedt de vicieuze cirkel waarbinnen de ontgoochelde jonge collega’s een eigen, vaak onrendabele, praktijk opzetten die het de grotere praktijken, met een andere kostenstructuur uit de buurt, lastig maakt door de (te) lage(re) tarieven. Dat jonge collega’s slecht verloond worden, suggereert op zijn minst een gebrek aan respect voor het eigen diploma maar ook dat er iets schort aan het businessmodel dat door vele dierenartsen en dierenartsenpraktijken -al dan niet gedwongen- wordt gehanteerd. Er zijn tal van  randfactoren die de rentabiliteit van praktijken kunnen bedreigen: er zijn de ontgoochelde collega’s die zelf een praktijk oprichten; het overaanbod afstuderende dierenartsen en de daarmee gepaard gaande concurrentie; er is vaak gebrek aan (affiniteit voor) ondernemerschap bij de gemiddelde dierenarts (ook al omdat de Faculteit Diergeneeskunde (UGent) daar jarenlang geen aandacht aan heeft besteed binnen het curriculum); er is de individualistische ingesteldheid van vele collega’s en de emotionele betrokkenheid tijdens de beroepsuitoefening die de broodnodige zakelijkheid op de achtergrond duwt; er is een gebrek aan krachtige syndicale verdediging, waardoor bijvoorbeeld maatschappelijk belangrijke taken en taken op het gebied van dierziektebewaking niet of heel slecht worden betaald. Daarmee is de hierboven vermelde complexiteit voor een deel geschetst en wordt alvast deels verklaard waarom een genuanceerd antwoord op de vraag noodzakelijk is.

Jonge collega’s (veel) te weinig betalen kan niet goed gepraat worden, doch deze problematiek zal niet opgelost worden door dierenartsen van de ene op de andere dag deontologisch te verplichten enkel nog collega’s binnen hun praktijk te werk te stellen in dienstverband.  Iemand aannemen als werknemer is namelijk duur en de verplichting deontologisch opleggen zou dus, naar mijn aanvoelen, zeker op korte termijn leiden tot minder werk voor jonge dierenartsen omdat veeleer dierenartsassistenten zullen worden aangenomen die in loondienst een stuk minder kosten. Bovendien mag niet vergeten worden dat een dierenarts ook als zelfstandige goed betaald kan worden en dat vaak deze zelfstandige medewerkers op termijn medevennoot worden van de praktijk. Niet alles is kommer en kwel.

Laat ons de zaken echter ook in een breder perspectief plaatsen. Is het verdedigbaar dat praktijkdierenartsen als werknemer werken, en dus ondergeschikt zijn aan een werkgever? Bedreigt een dienstverband in bepaalde mate niet altijd hun objectiviteit en onafhankelijkheid en leidt dat niet altijd tot kleine of grote belangenconflicten? Uiteraard moet hier genuanceerd worden gezien werken als werknemer bij een dierenartsenpraktijk in handen van alleen dierenartsen – momenteel mag het niet anders – anders moet bekeken worden dan werken als werknemer bij bijvoorbeeld een mengvoederfabriek die eigenaar is van de dieren op heel wat landbouwbedrijven waar aan dierziektebewaking moet worden gedaan en waar geneesmiddelen moeten worden ingezet. Het verschil in verantwoordelijkheid tussen dierenartsen actief in de nutsdierensector of in de gezelschapsdierensector speelt een rol, maar wat als straks de wetgever zou toelaten dat niet-dierenartsen/investeerders die enkel nog oog hebben voor het financiële rendement, zich kunnen inkopen in (gezelschapsdieren)praktijken? Zou dit de maatschappelijke rol van de dierenarts als geloofwaardige vrije en intellectuele beroeper niet fundamenteel aantasten, en daarmee het vertrouwen van  klanten en overheid kunnen schaden?

De maatschappij moet namelijk kunnen rekenen op praktijkdierenartsen die onafhankelijk en objectief handelen en wel omdat ze belangrijke taken uitvoeren: het bewaken van de diergezondheid, het dierenwelzijn, de volksgezondheid en de voedselveiligheid. Dat kan alleen op een correcte manier als geen andere dan maatschappelijke belangen voorop staan. Dit is meteen ook de reden waarom de wetgever daarover bepalingen in de wetgeving heeft opgenomen[1] [2] en waarom de Orde der Dierenartsen expliciet deze bepalingen in de Code der Plichtenleer heeft opgenomen[3]. Op basis van het maatschappelijk belang van de taken van een dierenarts, zou men moeten kunnen stellen dat de dierenarts die enkel en alleen correct kan uitvoeren als hij/ zij van niemand afhangt en door niemand kan worden aangestuurd om het commerciële boven het maatschappelijke belang te laten primeren. Uiteraard is dit voer voor discussie over een evenwel perfect verdedigbaar standpunt omdat het de enige basis vormt om op politiek vlak eisen te kunnen stellen als beroepsgroep. Alhoewel deze discussie de laatste (tientallen) jaren is uitgebleven, waardoor dierenartsen de exclusiviteit op de uitvoering van bepaalde taken hebben verloren, blijft het belang van het principe actueel. Het blijft wat mij betreft de essentiële basis voor de (her)waardering van het diergeneeskundige beroep.

Ik realiseer me dat niet iedereen de bovenstaande gedachtegang zal volgen en dat de link met de originele vraag “waarom worden jonge dierenartsen niet als bediende te werk gesteld en waarom zijn de Orde en de syndicaten op dat vlak zo stil?” misschien niet evident lijkt. De schijnbaar eenvoudige vraag in een ruimere context zien, is echter noodzakelijk, wil men de complexe randvoorwaarden op middellange termijn op een voor het diergeneeskundige beroep positieve manier beïnvloeden. Wie dat zal doen, is uiteraard een minstens even belangrijke vraag.

“Is de Orde niet bereid werk te maken van een standaard bediendencontract voor (jonge) dierenartsen?” Uiteraard wel maar dat gaat het beste gepaard met een debat over de ruime context (plethora, verdienmodellen, druk vanuit belangengroepen, enz.); een debat dat rekening houdt met de verschillen tussen de nutsdieren- en de gezelschapsdierenpraktijk; een debat dat gevoerd moet worden binnen en door de Orde en de syndicaten maar vooral ook door de praktijkdierenartsen zelf die al te vaak hun stem niet laten horen in nochtans erg relevante dossiers. Binnen de NGROD is de Commissie Contracten trouwens al langer bezig met het verzamelen van interessante en noodzakelijke passages uit de weinige bediendencontracten die voorgelegd worden om binnen afzienbare tijd een voorbeeldcontract beschikbaar te stellen.

Misschien is het nuttig te vermelden dat het Instituut voor Permanente Vorming van de  Faculteit Diergeneeskunde (UGent) een bijscholingsnamiddag[4] organiseert op 11 december aanstaande met als titel “De onafhankelijke praktijkdierenarts: een illusie of een must?” De gestelde vraag zal zeker ook aan bod komen, gezien het al dan niet werken in dienstverband onlosmakelijk verbonden is met de discussie rond onafhankelijkheid.

Het is niet eenvoudig om een eenduidig antwoord te formuleren op de boven gestelde vraag, daar de complexiteit ervan niet gering is. Terwijl werken als bediende voor vele (jonge) praktijkdierenartsen veel comfort zou kunnen genereren, moet echter nagedacht worden over de onafhankelijkheid van de dierenarts bij het uitvoeren van al zijn taken. Dat de reden waarom jonge dierenartsen als zelfstandige worden aangenomen, vaak niks te maken heeft met grote principes wat betreft onafhankelijkheid en objectiviteit, is mij uiteraard ook wel duidelijk. Elke denkoefening is evenwel nuttig. En ondertussen moet niemand zich geremd voelen om een zelfstandig meewerkende dierenarts correct(er) te betalen.

[1] Wet van 18 augustus 1991 op de uitoefening van de diergeneeskunde.

Art.  14. Zonder afbreuk te doen aan de wetten en de verordeningen, kan de dierenarts vrij de middelen kiezen die aangewend moeten worden hetzij voor het stellen van een diagnose, hetzij voor het instellen en het uitvoeren van de behandeling. Misbruiken van die vrijheid worden bestraft door de Raad van de Orde waartoe de dierenarts behoort.

[2] Koninklijk besluit van 20 november 2009 betreffende de erkenning van de dierenartsen.

Art.  5. De erkende dierenartsen voeren hun officiële opdrachten uit op een competente, loyale en correcte wijze, overeenkomstig de wets- en verordeningsbepalingen alsook de bijhorende omzendbrieven of instructies van de FOD of het Agentschap, elk volgens zijn bevoegdheidsdomein.

Wanneer zij tussenkomen in het kader van het epidemiologisch toezicht of bij het certificeren van dieren of beslagen, plaatsen de erkende dierenartsen zich niet, of laten ze zich niet plaatsen in een toestand van belangenconflicten, dit wil zeggen in een toestand waarin zij zelf of via een tussenpersoon een persoonlijk voordeel hebben dat de onpartijdige en objectieve uitoefening van hun opdracht kan beïnvloeden of de gewettigde verdenking ervan kan oproepen.

[3] Code der Plichtenleer editie 2013.

Art. 5 Onafhankelijkheid en onpartijdigheid.

De dierenarts moet zijn beroep uitoefenen in totale onafhankelijkheid en onpartijdigheid.

[4] http://www.ipv-dgk.ugent.be/v3/pages/programmas/index.php?cat=pm&id=271#selected%20

(Tekst aangepast van De Vliegher. 2014.Vlaams Diergeneeskundig Tijdschrift, 83, 269-271)

Advertenties