QUO VADIS, DIERENARTS? – Trends en bedreigingen, kansen en oplossingen binnen het diergeneeskundige beroep in Vlaanderen anno 2013

Inleiding

Vaststellingen. Boeiende tijden zijn het voor mensen die mee kunnen én moeten denken aan de toekomst van het diergeneeskundig beroep. Moeilijke tijden ook vaak door de vaststelling dat er heel wat bedreigingen op de dierenartsen afkomen die we als beroepsgroep vaak op onbeholpen wijze aanpakken. Vaak lijken beslissingen – meestal genomen door anderen en zelden ten voordele van het beroep – de dierenartsen gewoon te overkomen. Een gebrek aan gemeenschappelijke visie door gekibbel onder dierenartsen en dierenartsenorganisaties en een gebrek aan duidelijke communicatie maken het diergeneeskundige beroep tot een makke(lijke) prooi voor de Overheid en belangenorganisaties. Resten er ons enkel nog achterhoedegevechten en het achternahollen van beslissingen die anderen voor ons nemen?

Kritische punten. Dit opiniestuk wil enkele kritische punten aanwijzen die de uitoefening van de diergeneeskunde in al haar facetten bemoeilijken en wil op een wat karikaturale manier de Vlaamse dierenartsen aanzetten tot een serieuze denkoefening rond de toekomst van het diergeneeskundige beroep. Blijven dierenartsen elkaar bekampen en daardoor de speelbal van anderen of nemen ze als groep het heft in handen? Gaan dierenartsen op een proactieve en assertieve manier vanuit geloof in eigen kunnen de dialoog aan met de Overheid én de belangenorganisaties of blijven ze gedweeë volgers?

Kansen. Uiteraard vormen bedreigingen ook kansen. Mogelijkheden om het tij te keren zijn er genoeg maar die vereisen (meer) zelfrespect, het (vaker) opnemen van verantwoordelijkheid, het bundelen van krachten en (financiële) middelen om het beroep op een assertieve en consequente manier te verdedigen en te herwaarderen. In een wereld waar alle andere beroepsgroepen dat reeds doen, kunnen dierenartsen niet achterblijven. Ook de Overheid, de klanten en hun belangenorganisaties rekenen op dierenartsen die als assertieve, zelfbewuste, sterke en betrouwbare partners optreden in hun domeinen.

Dit opiniestuk viseert niemand en wil geen afbreuk doen aan al het werk dat reeds sinds jaren geleverd wordt om het beroep dag-in-dag-uit te verdedigen en visies te ontwikkelen; het is ondankbaar werk en verdient eenieders respect. Veeleer wil dit opiniestuk aanzetten na te gaan of er niet (efficiënter) moet worden samengewerkt en of de belangenverdediging niet anders moet, zeker nu de maatschappij veel meer eisen stelt, klanten zich goed hebben georganiseerd en de media beheerst wordt door snelle tweets en perfect getimede persberichten.

Trends en bedreigingen

Quid diergeneeskundige handeling? De maatschappij verandert en rechten en plichten, ook van de dierenarts, evolueren mee. Jaren geleden werd de uitholling van de diergeneeskundige handeling, nochtans gebetonneerd in de Wet op de Uitoefening van de Diergeneeskunde (1991) én de essentie van het diergeneeskundige beroep, ingezet. Vaccineren tegen gereglementeerde dierziekten, toch één van dé taken van de erkende dierenarts die de Overheid toelaat aan de handelspartners garanties te bieden over “vrijheid van ziekte”, bleken makkelijk en zonder al teveel weerwerk door de dierenartsen te delegeren aan de veehouder. De vaccinatie tegen de ziekte van Aujeszky overlaten aan de varkenshouder werd eind de jaren 90 van de vorige eeuw zelfs bijna voorgesteld als de redding van het diergeneeskundige beroep. “Alsof dierenartsen 6 jaar hadden gestudeerd om de ganse dag varkens in te spuiten!”.

Later bleek daarmee een trend te zijn ingezet die (voorlopig) niet meer te stoppen valt, want Aujeszky werd ondertussen gevolgd door IBR bij rundvee, Blauwtong bij herkauwers, Salmonella bij pluimvee,…. Een trend die zich ook lijkt te reflecteren in een algemene gelatenheid bij dierenartsen. Wie echter als dierenarts het vaccineren tegen een gereglementeerde dierziekte reduceert tot het louter toedienen van het vaccin maakt zichzelf ongeloofwaardig als bewaker van de diergezondheid. Hij mist daarmee de kans om zich te profileren als een betrouwbare partner die niet alleen technisch sterk is maar ook administratief en adviserend maatwerk levert. Vaccineren tegen gereglementeerde dierziekten houdt namelijk veel meer in dan het injecteren van een vloeistof: een zware diergeneeskundige opleiding, het tekenen van een contract van epidemiologische bewaking met alle daaraan gekoppelde verplichtingen en verantwoordelijkheden, het correct aankopen en stockeren van het vaccin, het certificeren van de handeling, het geven van garanties aan de Overheid, de consument en de handelspartners dat ze correct en herhaalbaar werd uitgevoerd, … Dierenartsen hadden het bij wet vastgelegde monopolie op deze handeling maar lieten het ontglippen, niet alleen door te makkelijk mee te gaan in het aanpassen van de bestaande wetgeving – waarom werden zo weinig voorwaarden gesteld bij het delegeren? – maar ook door bijvoorbeeld in de dagdagelijkse praktijk blanco-ondertekende gezondheidscertificaten af te leveren, opgejaagd door een moordende prijzenslag onder confraters en zonder rekening te houden met nefaste lange-termijn gevolgen. Nu nog als practicus een honorarium vragen voor het ondertekenen van een attest wordt steevast op hoongelach onthaald… In andere beroepen is dat nochtans heel gewoon.

Andere voorbeelden zijn er voldoende: bloednames bij schapen in opdracht van de stamboeken gebeuren nu door leken, techniekers van DGZ nemen routinematig bloed bij pluimvee als onderdeel van dierziektebewakingsprogramma’s, bloed- en cloacamonsters bij wildfauna worden door techniekers werkzaam voor het CODA verzameld, veehouders castreren biggen en onthoornen kalveren, insemineren hun eigen dieren; de drachtscan door de varkenshouder, de tandextractie door de paardentandarts, fysiotherapie door de kinesist… Allemaal zaken die vele dierenartsen de moeite niet waard vonden (vinden?) om over te discussiëren, laat staan om er voor te strijden, want die handelingen, daarvoor studeer je toch geen 6 jaar?

Uiteraard is het een terechte vraag of het vaccineren van duizenden stuks pluimvee per dag onderdeel moet zijn van het diergeneeskundige werk. Uiteraard moet de vraag gesteld worden of de begeleide veehouder niet even bekwaam is om een kalf te onthoornen of een big te castreren, of een dierenartsassistente niet in staat is de huid van een hond dicht te naaien. Valabele vragen die evenwel niet in twee haasten beantwoord mogen worden maar gepaard moeten gaan met een goed intern debat en overleg met de vragende partijen; een debat waar zoveel mogelijk dierenartsen bij betrokken worden en waarbij alle voor- en nadelen van het delegeren van de diergeneeskundige taak op korte en lange termijn worden gewikt en gewogen en waarbij bijvoorbeeld de impact op het dierenwelzijn niet wordt vergeten. Belangrijk daarbij is de vraag welke voorwaarden er moeten worden gesteld bij het delegeren van een handeling, en hoe de centrale rol voor de dierenarts behouden blijft. Tenslotte is hij universitair geschoold om te waken over diergezondheid, dierenwelzijn en volksgezondheid. Het ontwikkelen van nieuwe, intellectuele diensten waar de klanten voor betalen (bv. het certificeren en begeleiden van entploegen bij pluimvee, het uitbouwen van een inhoudelijk sterke diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding waarbinnen de veehouder op legale wijze nieuwe verantwoordelijkheden kan opnemen, het borgen van door de Overheid of lastenboeken opgelegde voorwaarden aan klanten, …), is daarbij essentieel om een deel van de vrijgekomen tijd in te vullen en een inkomensverlies te compenseren. Zolang deze laatste zaken erg moeilijk blijken, moet echter geen haast gemaakt worden met het uitdelen van diergeneeskundige taken aan niet-dierenartsen. Iets meer op de strepen staan in deze principiële discussies kan geen kwaad en helpt alvast om de eigenwaarde te (her)bepalen in verander(en)de omstandigheden.

Diergeneesmiddelen en antibiotica. Dierenartsen actief in de nutsdierensector die pogingen doen een betaalde vorm van bedrijfsbegeleiding op te starten, klagen (terecht) over de “gratis” advisering aangeboden door de medewerkers van veevoederfirma’s, farmaceuten, de Faculteit … Oneigenlijke concurrentie noemen ze het maar vergeten dat ook zijzelf samen met hun collega’s een business-model hebben ontwikkeld waarbij gratis handelingen en advies betaald moeten worden via de marges op de verkoop van diergeneesmiddelen. Dat is in essentie een erg vergelijkbare en ook weinig transparante manier van werken maar vooral ook riskant nu het verschaffen van antimicrobiële middelen door dierenartsen ter discussie staat. Daar waar vroeger, om de dierenarts in het gelid te houden in andere discussies, wel vaker een keer geopperd werd dat het depotrecht van de dierenarts zou verdwijnen, lijkt het, nu ook Europa zich meer en meer zorgen maakt over het opkomende probleem van de antimicrobiële resistentie en de rol van de veehouderij én de dierenarts daarin, niet meer de vraag óf dat zal gebeuren dan wel wanneer het zal gebeuren.

Tijd dus om volop in te zetten op openheid over het gebruik en verschaffen van antibiotica door dierenartsen, om te wegen op de discussies die nu volop in de schoot van het kenniscentrum AMCRA maar vooral ook bij de Overheid en binnen Europa gevoerd worden, om te gaan voor transparantie en duidelijkheid, om datacollectiesystemen uit te werken en te omarmen die helpen om dierenartsen en veehouders/eigenaars die buiten de lijntjes kleuren te identificeren. Tijd om aan te tonen dat er geen transparantere weg bestaat om antimicrobiële middelen op een onderbouwde manier bij de diereigenaar te krijgen en in te zetten dan via en begeleid door de dierenarts.

Tijd ook om na te denken over andere verdienmodellen die de potentiële inkomstendaling die gepaard zal gaan met het verlies van het depotrecht van antimicrobiële middelen, moeten counteren. Nu nog eisen dat het al fel gecontesteerde toedienings-en verschaffingsdocument moet worden afgeschaft, is in tijden van ge-eiste transparantie niet verstandig. Veeleer moet durf ontwikkeld worden om invulling te geven aan betaalde en kwalitatief hoogstaande advisering, aan een betere betaling van dringende consultaties en van nacht- en weekendwerk, aan het herzien van de vacaties, aan betaling van maatschappelijk relevante taken, aan verantwoorder inzetten van antibiotica … De tijd dringt.

Diergeneesmiddelen verkopen aan de laagste prijs, werd dé manier om nieuwe klanten binnen te halen, tot grote frustratie van de achterblijvende collega. Dat een lage marge enkel geld kan opbrengen als er veel wordt verkocht, was een nefaste bijwerking, waar ook de klant te weinig bij stil stond. Stellen dat dit geleid heeft tot veel frustratie onder dierenartsen is een open deur intrappen. Dat het daarnaast heeft gezorgd voor een uitholling van de epidemiologische bewaking, moet ook niet betwijfeld worden: de keuze van de bedrijfsdierenarts (en dus ook van de bedrijfsbegeleidende dierenarts) werd (wordt) niet meer gemaakt op basis van diens kunde en nabijheid maar wel op basis van zijn geneesmiddelenprijs. Dat de dierenarts die de laagste prijsgarantie biedt daarbij op 100 kilometer van het bedrijf woont, leidt tot een verwatering van de epidemiologische bewaking wat op middellange termijn een negatieve impact zal hebben op de sanitaire situatie van België, wat dan weer zonder twijfel ten nadele is van veehouders en verantwoordelijken… en de dierenarts zal er op aangesproken worden.

Uiteraard is er nood aan gezonde concurrentie – Europa droomt er van – maar concurrentie die het beroep in haar onderhemd zet, enkel focust op verkoop van geneesmiddelen en niet op inhoud, kennis, analyse en advies – een intellectueel beroep, toch? – daar is niemand mee gediend; ook niet de diergezondheid, het dierenwelzijn, of de volksgezondheid, wat sommigen ook mogen beweren. En zijn dierenartsen niet net de behoeders van de diergezondheid, het dierenwelzijn en de volksgezondheid? En als ze dat niet meer (willen of kunnen) zijn, wat rest hen dan nog?

Gezelschapsdieren versus nutsdieren. Bij het herschrijven van de Code der Plichtenleer gedurende 2012 moest werk gemaakt worden van de toepassing van de Europese Dienstenrichtlijn. Kort samengevat betekent dat minder bemoeienissen door de Orde en meer kansen voor ondernemerschap; terecht, en de nieuwe Code reflecteert dat ook. Een dierenarts die zijn onderneming beter kan laten draaien door diensten en producten, andere dan antibiotica, aan te bieden waarvoor de klanten (graag) wil betalen, dat is goed. Op dat punt echter werden de discussies vaak bemoeilijkt door de verschillen die er, vaker dan vroeger, bestaan tussen de gezelschapsdierenpraktijk en de nutsdierenpraktijk. Daar waar de dierenartsen vroeger een gemengde praktijk hadden, wordt er nu meer en meer gespecialiseerd gewerkt. Dierenklinieken en dierenartsencentra die zich richten op een deelgebied van de diergeneeskunde worden opgericht en erg professioneel gerund. Daar waar de dierenarts actief in de nutsdierensector nooit zijn rol als bewaker van de volksgezondheid en de voedselveiligheid zal mogen vergeten, speelt dit veel minder voor de dierenarts actief in de gezelschapsdierensector. Daar waar die laatste om die redenen gerust een stuk commerciëler kan inspelen op opportuniteiten, is dat veel moeilijker voor de dierenarts die werkt met nutsdieren gezien zijn maatschappelijke opdrachten rond volksgezondheid, dierenwelzijn en volksgezondheid groter zijn. Een boost aan de praktijk geven door kortingen toe te staan op de verkoop van antibiotica is al langer bij wet verboden en geen duurzame manier van ondernemen. Zodoende is het waarschijnlijk nodig om in een volgende versie van de Code een onderscheid te maken tussen dierenartsen in functie van hun bezigheden? De wetgever doet dat vandaag bijvoorbeeld op het gebied van de geneesmiddelen tot op een bepaald niveau ook al.

Het in de wetgeving inschrijven van de diergeneeskundige rechtspersoon en de daaraan gekoppelde modaliteiten rond de verdeling van de aandelen onder de vennoten zal nog voer zijn voor discussie. Wat als niet alle aandelen in handen moeten zijn van dierenartsen? Wat als straks kapitaalkrachtige groepen zich inkopen in diergeneeskundige praktijken met slechts één bedoeling, hun investeringen goed te laten renderen? Wat misschien een mooie opportuniteit lijkt voor een gezelschapsdierenkliniek, lijkt een nachtmerrie voor de nutsdierenpraktijk waar de dierenartsen misschien wel gedwongen worden om meer geneesmiddelen, waaronder antibiotica, te verkopen om de omzet te doen groeien… Het verschil tussen beide types praktijken wordt op die manier niet alleen op tuchtrechtelijk gebied relevant maar ook op ethisch vlak.

Plethora. Heel regelmatig wordt er met de vinger gewezen naar de Faculteiten Diergeneeskunde als het gaat over de plethora. Er worden teveel dierenartsen afgeleverd die de oververzadigde markt van de paarden- en gezelschapsdierensectoren blijven overspoelen, is een vaak gehoorde en niet onterechte conclusie. Dat daarnaast opvalt dat veel dierenartsencentra en -klinieken erg lang moeten zoeken naar een nieuwe collega wordt in dit debat vaak vergeten. Teveel jonge dierenartsen en toch veel niet-ingevulde vacatures, hoe valt dat te rijmen? Een meer gefocuste of verminderde doorstroom van nieuwe dierenartsen kan, mits daar politiek de wil voor bestaat (wie zal daarrond het nodige lobbywerk verrichten?), een deel van de oplossing bieden. Anderzijds moeten dierenartsen die op zoek zijn naar een nieuwe, dynamische collega ook in eigen boezem durven kijken. Getuigt het niet van wel erg weinig respect voor het beroep en een korte-termijn visie om die jonge collega als zelfstandige aan het werk te zetten tegen uurtarieven waar zelfs een poetsvrouw niet voor langskomt? Ook daar wringt het schoentje en het zal toch niemand verbazen dat die jonge dierenarts na een jaar verbitterd beslist om, tegen beter weten in, toch maar een (onrendabele) solopraktijk op te starten. Dat hij daarbij (te) lage tarieven hanteert, verbaast in die context ook al helemaal niet. Weg is de kans om er samen op een respectvolle manier iets van te maken.

Keuring. De malaise onder keurders lijkt, waar je ook komt in Vlaanderen, groot te zijn. Dierenartsen voelen zich ongelukkig en een stuk geïntimideerd door het Voedselagentschap. Het wettelijke kader dat op papier netjes klopt, lijkt ten velde toch enigszins anders te worden toegepast. Weinigen echter durven vermeende misbruiken aan de kaak te stellen uit vrees voor inkomstenverlies. Ook de verschillen tussen provincies in hoe zaken worden aangepakt, doet wenkbrauwen fronsen. Een Overheid die opdrachten uitdeelt, dient zich verantwoordelijk en respectvol op te stellen; de dierenartsen die de opdrachten aanvaarden moeten ze loyaal en correct uitvoeren, zoals hun erkenning en hun contract hen oplegt. Dat kan echter enkel mits wederzijds respect, transparantie en vertrouwen. Een open debat met respect voor ieders mening op basis van feiten lijkt alleszins aan de orde.

Communicatie. De oorverdovende stilte uitgaand van het diergeneeskundige beroep in de openbare debatten die de essentie van de diergeneeskunde raken, frappeert. Nergens hoor je hét standpunt van de Vlaamse dierenarts rond de discussie over duurzaam gebruik van antimicrobiële middelen, nergens kan je er dé visie van de Vlaamse dierenarts rond de hete hangijzers op het gebied van dierenwelzijn of diergezondheid op nalezen. Hebben dierenartsen dan geen eenduidig standpunt over resistentieontwikkeling, het gebruik van gemedicineerde diervoeders buiten het kader van de diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding, fraude met paardenpaspoorten, onverdoofd slachten, inteelt bij honden, verplichte sterilisatie van katten, zieke paarden op het bord, illegale import van puppy’s, Brucellose-uitbraken, TBC-haarden, rabiës-gevallen…?

Veeleer lijkt een gebrek aan zelfvertrouwen én aan een kanaal waardoor met één stem kan gesproken worden een rol te spelen. Door niet te communiceren, wordt de dierenarts echter niet (h)erkend als een specialist, niet gehoord als een intellectueel die in elk van deze dossiers een stuk inzicht kan brengen dat bijdraagt tot de oplossing. Elk van deze dossiers biedt namelijk de kans om de dierenarts als dé betrouwbare partner naar voor te schuiven. In stilte hard werken zonder te communiceren, lijkt misschien verstandig maar is het niet. Vertellen de dierenartsen wel vaak en luid genoeg aan zij die het moeten horen dat zij de behoeders van de diergezondheid, het dierenwelzijn en de volksgezondheid zijn?

Aan de basis van de gammele (non-)communicatie ligt uiteraard voor een stuk het gebrek aan slagkracht door versnippering van het Vlaams syndicaal landschap en een daaraan gekoppeld gebrek aan financiën om op een kordate, efficiënte en vooral constante manier mee te zijn met en te wegen op discussies. Vandaag de dag worden heel wat vergaderingen met de Overheid aan Vlaamse kant bijgewoond door medewerkers van twee syndicaten én van de Orde, worden reisvergoedingen en zitpenningen betaald voor meerdere personen, worden verslagen in drievoud opgemaakt… Dat kan veel efficiënter. Vervelender nog is dat de aanwezige dierenartsen elkaar tijdens de debatten vaak tegenspreken, of erger nog, elkaar af- of aanvallen… Alle andere partners aan de tafel wrijven zich bij het zien van zoveel amateurisme – terecht – in de handen … en beslissen wat zij zelf willen. Eén sterk syndicaat met een tuchtcollege dat de NGROD vervangt, naar Nederlands voorbeeld, dat beschikt over genoeg middelen en mensen om het veelvoud aan taken en opdrachten tot een goed eind te brengen en duidelijk en permanent te communiceren, is een gewaagd voorstel, dat echter het overwegen waard is. 

Vlaanderen versus Wallonië. Het zal niemand verbazen dat Vlaamse en Waalse dierenartsen er vaak andere visies op nahouden als het gaat over de diergeneeskunde. Dat valt op als er een nieuwe Code moet worden geschreven binnen de schoot van de paritair samengestelde Hoge Raad, dat valt op als er gesprekken worden opgestart over de diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding, dat is duidelijk als er gediscussieerd wordt over alternatieve diergeneeskunde (homeopathie, accupunctuur) en verplichte bijscholing, … Veel van de “meningsverschillen” vinden spijtig genoeg hun oorsprong in een taalprobleem dat beide partijen niet toelaat om met de nodige nuances hun visie over te brengen. Anderzijds is het uiteraard ook zo dat er socioculturele verschillen spelen (de Waalse dierenartsen spiegelen zich vaak aan Frankrijk, Vlamingen doen dat niet). Ook de verschillende samenstelling van de landbouw (in Wallonië vinden we vooral vleesvee, in Vlaanderen vooral varkens en veel melkvee; pluimvee is zo goed als volledig “in handen” van Vlaamse dierenartsen) verklaren bepaalde visies en gebruiken (in Wallonië werden er bijvoorbeeld weinig tot geen contracten van bedrijfsbegeleiding getekend, in Vlaanderen veel meer). Evenwel werken de Waalse dierenartsen erg goed samen. Hun erg professioneel georganiseerde dierenartsenvereniging is prominent aanwezig en wordt op de achtergrond goed ondersteund door de gewestelijke raad van de Orde. Samen lijken ze daardoor vaker gehoor te krijgen bij de Overheid en de politiek dan de Vlaamse dierenartsen.

Wetgevend kader. Het wetgevend kader waarin de dierenarts vandaag de dag moet werken, is niet altijd even duidelijk en lijkt vaak losgekoppeld van wat in de praktijk leeft of haalbaar is. Als voorbeeld kan de diergeneesmiddelenwetgeving gelden, niet in zijn minst de bepalingen rond het gebruik en verschaffen van geneesmiddelen bij het paard. Menig practicus verliest zijn weg in het kluwen aan bestaande en nieuwe wetgeving en het wordt nog moeilijker als interpretaties wel op overheidsniveau besproken worden maar de communicatie naar de practici niet (duidelijk genoeg) volgt. Een empatische Overheid die nog meer voeling heeft met de praktijk en de naleving van de wetgeving op elk niveau en op elke plaats controleert, zal met open armen door de praktijkdierenarts worden onthaald. Respect voor de soms moeilijke taken die de practicus ten velde moet uitvoeren, maakt daar deel van uit. Van de dierenarts verwachten dat hij aangifte doet van een gereglementeerde dierziekte maar hem niet of heel laat op de hoogte brengen van de resultaten zodat hij van de veehouder moet vernemen wat de uitkomst is, lijkt alleszins niet gepast. 

Kansen en oplossingen

(Zelf)evaluatie. Uiteraard kan je jezelf als beroepsgroep niet profileren als een betrouwbare partner voor de Overheid, de klanten, de consument, de maatschappij als niet de overgrote meerderheid van de dierenartsen daarvan het belang inziet en bereid is mee te timmeren aan dat imago.

Kunnen dierenartsen slecht of helemaal niet uitgevoerde tuberculinaties bij aankoop van runderen goedpraten? Kunnen dierenartsen uitvluchten bedenken waarom ze het nalaten een illegaal geïmporteerde pup aan te geven? Hebben ze excuses om uit te leggen waarom ze liever nog een extra doos antibiotica afzetten in plaats van de klant op correcte en duidelijke manier te wijzen op zijn gebrekkige stalhygiëne? Is het aan de handelspartners van ons land uit te leggen dat het diergeneeskundige beroep er voor gekozen heeft om onder economische druk belangrijke vaccinaties te delegeren aan entploegen, een situatie die al jaren, onder druk van de pluimveesector, gedoogd wordt door de Overheid? Hoe kunnen dierenartsen uitleggen dat ze dan toch gezwicht zijn voor de druk om koudbloedveulens te blokstaarten en te voorzien van een welwillendheidgetuigschrift?

Hoe kunnen de syndicaten hun overleg opnieuw opstarten, de strijdbijl begraven en de krachten bundelen? Hoe kunnen de dierenartsen met de juiste talenten, netwerken en energie – en dat zijn er veel – samengebracht worden om via een positief project een visie te ontwikkelen voor de toekomst, om de belangen samen te verdedigen?

Kan de Faculteit haar curriculum beter afstemmen op de marktomstandigheden, dierenartsen afleveren die niet alleen academisch goed opgeleid zijn maar ook communicatief sterker staan en geleerd hebben om respectvol samen te werken? Kan de Faculteit haar voeling met de praktijk vergroten? Kan de Faculteit het curriculum inhoudelijk verbreden en verfijnen waardoor de dierenarts minder als vakman maar meer als zelfbewuste wereldburger wordt afgeleverd?

Kan de Orde haar negatieve imago afschudden en de dierenarts in het veld beter ondersteunen bij het garanderen van een kwalitatief hoogstaande diergeneeskunde, zonder syndicaal actief te willen/moeten zijn?

Kan het beroep de industrie voldoende stimuleren om het partnerschap met de dierenarts verder uit te bouwen, hem als dé partner in zijn domeinen naar voor te schuiven? Kunnen de dierenartsen de Overheid zo ver krijgen dat ze beter luistert naar hun grieven en bereid is oplossingen te zoeken die de samenwerking en het vertrouwen verbeteren?

(Zelf)respect. Inzetten op een herwaardering van het beroep start met het hebben van respect voor het eigen diploma, met het respecteren van de collega’s, jong en oud, en met correct – zoals de wetgever het heeft voorgeschreven en volgens de laatste stand van de wetenschap – te werken en te handelen. Kennis van de wettelijke bepaalde diergeneeskundige handelingen en wat die in essentie voor het beroep (moeten) betekenen, is daar een wezenlijk onderdeel van.

Elkaar in de respectievelijke diergeneeskundige kranten en magazines zwart maken, door middel van oneliners of populistische uitspraken, hoort niet. Als dierenartsen door mensen van buiten het beroep beter gerespecteerd willen worden, zullen ze moeten leren hun debatten niet in het openbaar, niet via de media te voeren maar onder elkaar. Grote disputen, al dan niet via de rechtbank gevoerd, kosten veel energie, veel geld, en zorgen er ook voor dat heel veel collega’s hun lidmaatschap bij deze of gene dierenartsenvereniging in vraag stellen. Minder leden gaat gepaard met minder inkomsten en minder slagkracht… een vicieuze cirkel. Iedereen die beweert het goed voor te hebben met het beroep, moet bereid zijn het anders te doen.

In plaats van elk initiatief dat genomen wordt door deze of gene dierenarts of instantie direct negatief te beoordelen, zou het getuigen van respect om na te gaan wat de drijfveren zijn, of er kansen mee gemoeid zijn voor het beroep of de individuele dierenarts, of er niet een visie achter schuil gaat die op het eerst zicht misschien moeilijk zichtbaar was? Praten helpt…

Jonge dierenartsen verdienen een correct loon te krijgen en moeten worden beschermd tegen misbruiken. Werk maken van een collectieve arbeidsovereenkomst zoals die in Nederland reeds jarenlang gebruikt wordt, zou een erg goed signaal zijn naar de jonge collega’s en een basis leggen voor een goede samenwerking waarbinnen de overname van de praktijk op termijn niet alleen financieel haalbaar wordt, maar ook gebaseerd is op vertrouwen. Jonge collega’s die zich gewaardeerd voelen, zullen zich ook makkelijker willen inzetten voor het beroep.

(Zelf)vertrouwen. Een verstandige en respectvolle samenwerking tussen alle geledingen van het diergeneeskundige beroep biedt de mogelijkheid om als groep werk te maken van het (zelf)vertrouwen. Tenslotte is een zesjarige universitaire opleiding een degelijke basis om zich te profileren als dé bewaker van de diergezondheid, het dierenwelzijn en de volksgezondheid.

Er zit ontzettend veel talent tussen de dierenartsen en er zijn heel wat dierenartsen die een stukje voorop lopen en hun ervaringen, inzichten, successen en netwerken willen delen. Daar moet veel meer gebruik van gemaakt worden. Om dat te kunnen moet er uiteraard wel vertrouwen worden gegeven. Er wordt ook op vele vlakken reeds goed samen gewerkt en overlegd. De regionale dierenartsenverenigingen bijvoorbeeld floreren en vormen een perfecte basis om nieuwe ideeën te genereren en af te toetsen. Allemaal elementen die aangegrepen moeten worden om een momentum te creëren.

Een moderne Orde zorgt er voor dat de correct werkende dierenarts ondersteund wordt door mee te waken over een duidelijk wettelijk kader en door mee garant te staan voor een kwalitatief hoogstaande diergeneeskunde. De tuchtrechtelijke bevoegdheid wordt gebruikt om die dierenartsen die het imago van het beroep besmeuren, aan te spreken, en zij die het wel goed menen met het beroep, maximaal te ondersteunen.

Als dierenartsen vertrouwen hebben in zichzelf en goed georganiseerd zijn, dan hoeven ze zich niet bedreigd te voelen en kan werk gemaakt worden van een efficiëntere belangenverdediging. In plaats van nieuwe wetgeving af te wachten, zal het mogelijk worden input te geven bij het schrijven ervan wetgeving. Als dierenartsen vertrouwen hebben in zichzelf en goed georganiseerd zijn, dan kan niemand objectie maken tegen een voorstel om hen beter te betalen voor de rollen die ze moeten spelen op het gebied van epidemiologische bewaking, diergezondheid, dierenwelzijn en volksgezondheid. Deze financiering zal moeten bestaan uit bijdrages van het Fonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten (de zogenaamde vacaties worden daaruit reeds betaald), maar ook andere middelen zullen beschikbaar moeten gesteld worden door de Overheid voor de maatschappelijk relevante opdrachten. Zeker voor de practici actief binnen de nutsdierensector moet er werk gemaakt worden van een verloning van deze opdrachten gezien zij een deel van de commerciële opportuniteiten die andere dierenartsen wel kunnen benutten, aan zich moeten laten voorbij gaan en vaak in moeilijkere omstandigheden moeten werken. Daarnaast biedt een modulaire diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding met inhoud de kans om bedrijfsspecifieke en betaalde advisering en begeleiding aan te bieden aan de klant en dat met zin voor ondernemerschap. In tijden waar de administratieve en financiële druk op de veehouder erg groot is geworden, moet de bedrijfsbegeleidende dierenarts meerwaarde genereren door de klant te ontlasten en te begeleiden naar een efficiëntere productie. Geen enkel ander beroep heeft daartoe een betere opleiding genoten en heeft daartoe meer capaciteiten. Die kans moet enkel gegrepen worden. Het behoedzame maar positieve overleg dat daarrond vandaag onder de Vlaamse dierenartsen gevoerd wordt, stemt erg hoopvol.

Communicatie. Er moet werk gemaakt worden van een gestroomlijnde en eenduidige communicatie. Er bestaan de dag van vandaag mogelijkheden genoeg om dat efficiënt te doen (website, Facebook, Twitter, …) maar vooreerst moet een model ontwikkeld worden waarbinnen de Vlaamse dierenartsen op een efficiëntere manier met elkaar overleggen, samenwerken, en tot een consensus komen in de dossiers die hen aanbelangen (dat is vroeger al gelukt maar het blijft spijtig genoeg bij uitzonderingen). Dat vergt een grote denkoefening rond financiële middelen, praktische samenwerking, interne communicatie, … Dat is niet evident maar zeker mogelijk, des te meer omdat er heel wat diergeneeskundig talent aanwezig is dat een dergelijke opdracht tot een goed einde kan brengen, als maar de krachten op een positieve manier gebundeld worden en er gestopt wordt met het voeren van achterhoedegevechten.

Een breed gedragen communicatiecampagne waarin het diergeneeskundige beroep in Vlaanderen zich op een positieve manier profileert, kan daarbij minstens drie doelen dienen: 1) het is een basis om het zelfvertrouwen te vergroten, 2) ze zorgt ervoor dat dierenartsen met elkaar in gesprek gaan en zich achter een gemeenschappelijk en positief project kunnen scharen, én 3) ze brengt de dierenarts als betrouwbare partner dichter bij de klant, de Overheid en de maatschappij. De permanente bijscholing, verplicht sinds begin van 2013, is daarbij een prachtige opportuniteit om als beroep luid en duidelijk te laten horen dat de klanten veeleisend mogen zijn, en dat geen enkele dierenarts het aanvaardt dat een dier behandeld wordt met gedateerde therapieën of verouderde technieken.

Conclusies

Anno 2013 zijn de uitdagingen voor de Vlaamse dierenartsen niet min. Discussies over een vermeende rol in het ontstaan van antimicrobiële resistentie, sterke en goed georganiseerde organisaties die de belangen van hun klanten vertegenwoordigen en daarmee vaak ingaan tegen de belangen van de dierenarts, een grote concurrentie binnen het beroep, een verdeeld syndicaal veld, matige tot onbestaande betaling van taken die de moderne maatschappij van een dierenarts verlangt of voor werk dat zelfs direct in het teken staat van de klant, veel achterdocht, een gebrek aan appreciatie van andermans werk, gelatenheid, … Grote verschillen zijn daarbij merkbaar tussen regio’s en tussen sectoren.

Evenwel zijn de oplossingen voorhanden: op basis van zelfevaluatie inzetten op zelfrespect en het werken aan meer zelfvertrouwen om als een assertieve en betrouwbare partner werk te maken van de belangenverdediging en zich te profileren als goed bijgeschoolde specialisten op het vlak van diergezondheid, dierenwelzijn en volksgezondheid. Om dat te bereiken moet er samengewerkt worden en moeten talenten, middelen, en mensen gebundeld worden.

Dit opiniestuk wil alvast een aanzet geven tot een debat –  zaken op papier zetten is uiteraard veel gemakkelijker dan een echte verandering te weeg brengen. De gemaakte analyses zijn scherp maar willen niemand met de vinger wijzen. De overgrote meerderheid van de veehouders en diereneigenaren is erg tevreden over hun dierenarts die dag en nacht klaar staat voor hun dieren. Een andere indruk wekken zou absoluut verkeerd zijn. Veeleer wil deze gedachtenbundeling een basis vormen voor bezinning en de start zijn voor constructief overleg dat moet leiden tot het bijregelen van de zeilen … Durf denken.

-The pessimist complains about the wind; the optimist expects it to change; the realist adjusts the sails – William Arthur Ward

Advertenties

4 thoughts on “QUO VADIS, DIERENARTS? – Trends en bedreigingen, kansen en oplossingen binnen het diergeneeskundige beroep in Vlaanderen anno 2013

Add yours

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: